Uit: Reglement rijbewijzen [Versie geldig vanaf: 01-10-2001]

6. Omvang van de uit het rijbewijs voortvloeiende bevoegdheid

Artikel 15

  1. Rijbewijzen worden afgegeven voor het besturen van de volgende categorieën van motorrijtuigen:
    1. motorrijtuigen op twee wielen, waarvan de cilinderinhoud meer dan 50 cm3 en de door de constructie bepaalde maximumsnelheid meer dan 45 km per uur bedraagt, al dan niet met zijspanwagen of aanhangwagen (Rijbewijs A);
    2. motorrijtuigen op drie wielen, niet zijnde motorrijtuigen op twee wielen met zijspanwagen, en motorrijtuigen op vier wielen, waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 3500 kg en die niet zijn ingericht voor het vervoer van meer dan 8 personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, alsmede door die motorrijtuigen voortbewogen aanhangwagens waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 750 kg, dan wel meer bedraagt dan 750 kg, mits in dat geval de toegestane maximummassa van de aanhangwagen niet meer bedraagt dan de ledige massa van het motorrijtuig en de toegestane maximummassa van het samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen niet meer bedraagt dan 3500 kg (Rijbewijs B);
    3. motorrijtuigen, niet zijnde motorrijtuigen van de rijbewijscategorie D, waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3500 kg, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 750 kg (Rijbewijs C);
    4. motorrijtuigen die zijn ingericht voor het vervoer van meer dan 8 personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 750 kg (Rijbewijs D);
    5. motorrijtuigen van een van de rijbewijscategorieën B, C of D voor het besturen waarvan de bestuurder in het bezit is van een rijbewijs, met een andere aanhangwagen dan op grond van dat rijbewijs mag worden voortbewogen (Rijbewijs E).
  2. Voor de bepaling van het aantal wielen worden twee naast elkaar aangebrachte wielen van gelijke afmeting als één wiel beschouwd, indien de afstand tussen de binnenzijden van de op die wielen gemonteerde banden niet meer bedraagt dan de breedte van één van die banden in normale spanningstoestand en in onbelaste staat.
  3. In afwijking van het eerste lid worden motorrijtuigen, ingericht voor het vervoer van ten hoogste 8 personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, waarvan de toegestane maximummassa als gevolg van een aan het voertuig aangebrachte bepantsering meer dan 3500 kg bedraagt, begrepen onder de rijbewijscategorie B.